Zoeken
larger text smaller text reset text

Tijdschriftartikelen

Overzicht tijdschriftartikelen

  • De programmatische aanpak in de PAS en het NSL en de controle op de uitvoering (2015, nr. 3)
  • Jelle van de Poel1

    1 Inleiding
    Op 1 juli 2015 is de Programmatische Aanpak Stikstof 2015-2021 (PAS) in werking getreden.2  De PAS heeft betrekking op 133 van de 160 Natura 2000-gebieden3 in Nederland. Het betreft gebieden met een beschermde, stikstofgevoelige habitat. Het eerste doel van de PAS is om de achteruitgang in biodiversiteit in deze gebieden tegen te gaan en te voldoen aan de op grond van de Habitatrichtlijn geldende normen. Het tweede doel is om ontwikkelingsruimte te creëren voor nieuwe economische activiteiten met stikstofuitstoot in de buurt van deze gebieden. Om deze doelen te verwezenlijken kent de PAS een systeem waarbij herstelmaatregelen leiden tot ontwikkelingsruimte, die kan worden gebruikt bij vergunningverlening.
     
    Deze zogenaamde programmatische aanpak is niet nieuw. Ook het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is gebaseerd op deze systematiek. Net als bij de PAS was de aanleiding voor de totstandkoming van het NSL gelegen in de problemen die ontstonden doordat bij de individuele vergunningverlening moest worden voldaan aan Europese milieunormen.
    Naast de PAS en het NSL kent ook de Waterwet een regeling met een programmatische aanpak, ter uitvoering van de Kaderrichtlijn water. In de Omgevingswet zal de programmatische aanpak een meer algemene wettelijke grondslag krijgen.4
     
    In paragraaf 2 en 3 zal ik de Europese context van de PAS en het NSL bespreken en specifieker ingaan op de systematiek van de programmatische aanpak in deze regelingen. Ik zal daarbij, vooruitlopend op de conclusie van paragraaf 4, ook ingaan op de wettelijke mogelijkheden en verplichtingen ten aanzien van monitoring en bijsturing. In paragraaf 4 zal ik, aan de hand van de bestaande jurisprudentie over het NSL, ingaan op de mogelijkheden van rechterlijke toetsing van de PAS. Te verwachten is dat deze toetsing vrij terughoudend zal zijn en zal verwijzen naar de instrumenten van monitoring en bijsturing. In paragraaf 5, de afsluiting/conclusie, zal ik nader ingaan op de wijze waarop met name de monitoring in de jurisprudentie een rol zou kunnen spelen.
  • Lees verder
  • Struikelt gebiedsontwikkeling 2.0 op de Ladder voor duurzame verstedelijking? (2015, nr. 2)
  • Door Daniëlle Roelands-Fransen en Laura van der Meulen1
     
    ​Overheden kiezen bij ruimtelijke ordening steeds vaker voor flexibele bestemmingen. Door ruime, gemengde bestemmingen op te nemen, kan worden ontwikkeld vanuit een behoefte en krijgt de markt tot op zekere hoogte de vrije hand. De overheid behoudt de regie, maar blijft meer op de achtergrond. Door flexibiliteitsbepalingen op te nemen, kan makkelijker worden ingespeeld op nieuwe ontwikkelingen en trends: gebiedsontwikkeling 2.0.2  Juist gemengde bestemmingen kunnen leegstand voorkomen. Als bijvoorbeeld een winkel niet goed loopt, dan kan op die locatie eenvoudig een koffiebar worden gevestigd. Het flexibel omgaan met de ruimtelijke ordening past ook bij de naderende Omgevingswet, op basis waarvan met het Omgevingsplan nog veel meer flexibiliteit zal worden verkregen.3
  • Lees verder
  • Wanneer is sprake van (voldoende) concreet zicht op legalisering? - Een overzicht aan de hand van recente jurisprudentie (2015, nr. 1)
  • ​1. Inleiding
    De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) hanteert sinds 20041 een standaardoverweging ten aanzien van de beginselplicht tot handhaving2. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dat zij geen gebruik maakt van haar bevoegdheid tot handhaving. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering3 bestaat. De toets of er mogelijk concreet zicht op legalisering bestaat, is een vast onderdeel van
    de belangenafweging. Een uitzondering hierop betreft de bouwstop. In dat geval behoeft niet te worden getoetst of sprake is van concreet zicht op legalisering4.
  • Lees verder
  • Beschermde stads- en dorpsgezichten (2014, nr. 4)
  • ​Een aantal oude Nederlandse binnensteden (Rotterdam, Den Haag, Venlo, Groningen) is, meestal vanwege zware oorlogsschade, na de Tweede Wereldoorlog ingrijpend gemoderniseerd. Hier herinneren bij de winkelboulevards, kantoorcomplexen en culturele voorzieningen soms alleen de straatnamen en een toevallige parochiekerk aan het oude verleden.
  • Lees verder
  • Het normale maatschappelijke risico: zonder meer 2%? (2014, nr. 2)
  • ​Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) op 1 juli 2008 is het normale maatschappelijk risico bij planschade verankerd in een wettelijke regeling (artikel 6.2 Wro). Hoewel het onder de jurisprudentie van de Kroon1  nog wel geaccepteerd werd dat burgers een bepaalde last zelf dienden te dragen, was er in recente jurisprudentie van de Afdeling, tot de inwerkingtreding van de Wro, weinig mogelijkheid om met het normale maatschappelijke risico rekening te houden bij het toekennen van een (toen nog) planschadevergoeding. Volgens de Afdeling was er geen ruimte voor de toepassing daarvan2
  • Lees verder
  • Jurisprudentie Wabo en milieu (2013, nr. 3)
  • ​De Wabo is nu bijna drie jaar in werking. In dit artikel wordt jurisprudentie besproken over de uitleg van milieu-uitspraken in het kader van de Wabo. Sinds de in werking treding van de Wabo  geldt voor milieurechtspraak beroep in twee instanties. Omdat er terzake nog weinig uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) zijn, betreffen de meeste hierna te bespreken uitspraken rechtbank-uitspraken. In dit artikel wordt bezien in hoeverre de rechtbanken zich conformeren aan dan wel afwijken van de bestaande jurisprudentie van de Afdeling. Weliswaar kan er hoger beroep worden ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank, maar de verwachting is dat dit slechts in een beperkt aantal gevallen zal gebeuren aangezien de rechtbanken veelal verwijzen naar (vaste) jurisprudentie van de Afdeling.
  • Lees verder