Zoeken
larger text smaller text reset text

Het aanwijzen van onroerende objecten tot beschermde monumenten. (2013, nr.4)

2013, nr. 4

Artikel 3, lid 1, van de Monumentenwet 1988 maakt het mogelijk dat door de Minister onroerende monumenten (objecten) worden aangewezen als (rijks)beschermd monument.

1. Inleiding

Artikel 3, lid 1, van de Monumentenwet 1988 maakt het mogelijk dat door de Minister onroerende monumenten (objecten) worden aangewezen als (rijks)beschermd monument. Daarnaast kunnen gemeenten en provincies op grond van eigen monumentenverordeningen ook monumenten (gemeentelijk, provinciaal) aanwijzen. Er is sprake van een krachtig instrument. De gebruiksmogelijkheden van het object worden ingeperkt ter wille van het voortbestaan van cultuurhistorische waarden. Bij onderhoud, verbouwing en sloop heeft niet de eigenaar het laatste woord, maar de vergunningverlenende instantie. Dat in de ruimtelijke ordening beperkingen worden gesteld aan het eigendomsrecht is niet ongebruikelijk. Bij monumenten gaat het daarbij zelfs om beperkingen op detailniveau: zonder vergunning kan men bijvoorbeeld de raamkozijnen niet in een andere kleur verven of de dakpannen door een andere tegel (laten) vervangen.


Naast een krachtig is het in de erfgoedwereld ook een veelvuldig gebruikt instrument. In 2010 waren in Nederland 52.877 rijksmonumenten, 41.447 gemeentelijke monumenten en 521 provinciale monumenten aanwezig1 . In dit artikel wordt de aanwijzing tot monument nader bekeken, waarbij onder andere aandacht wordt besteed aan de aanwijzingscriteria, de procedure en de rol van de monumentencommissies. Daarna wordt ingegaan op de bezwaren die eigenaren van een pand in de praktijk aanvoeren tegen de eventuele monumentenstatus van hun eigendommen. Tot slot komt het aspect "ontwijzing" aan de orde.

2. Wat is een monument?
De monumentenwet is opgesteld ter bescherming van “vervaardigde zaken welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde” (artikel 1, onder b, sub 1 van de Monumentenwet 1988). De monumentenwet maakt het tevens mogelijk dat terreinen waar dergelijke zaken zich bevinden, worden beschermd (artikel1, onder b, sub 2 van de Monumentenwet 1988).

Deze vervaardigde zaken zijn ondermeer gebouwde objecten, die niet of moeilijk verplaatsbaar (onroerend) zijn. Voor de hand liggend is dat daarbij aan grachtenpanden, kastelen en kerken wordt gedacht: de “echte” architectuur. Een groot deel van het monumentenbestand bestaat echter uit puur utilitaire bouwwerken als sluizen, bruggen, bunkers en schuren.

Voor al deze gebouwde objecten geldt dat ze monumentwaardig moeten zijn om een monumentenstatus te verkrijgen en als (beschermd) monument te gelden2 . Deze monumentenwaardigheid is in principe beschreven in de criteria zoals opgenomen in artikel 1, onder b, sub 1, van de Monumentenwet 1988. Praktisch gezien voldoen deze criteria maar matig. Wetenschappelijke en cultuurhistorische waarden zijn vage begrippen, terwijl schoonheid bijna geen enkele rol (meer) speelt. In de praktijk van de aanwijzing wordt daarom gebruik gemaakt van afgeleide criteria zoals stijlzuiverheid, ouderdom, gaafheid, onderhoudstoestand en zeldzaamheid. Deze opsomming is verre van compleet, want niet alleen de fysieke kenmerken van het bouwlichaam zijn van belang. Ook externe factoren, zoals ligging, bewoningsgeschiedenis en geschiedkundige waarde spelen mee. Een negentiende-eeuwse arbeiderswoning is bijvoorbeeld zelden monumentwaardig. Mocht een belangrijk staatsman of schilder er zijn jeugd in hebben doorgebracht, dan kan het pandje wel degelijk van waarde zijn.

Interessant is het criterium gaafheid. Vaak wordt gedacht dat een vervallen, verbouwd of in ruïneuze staat verkerend object niet meer monumentwaardig is. Een misvatting, omdat ook dergelijke objecten een grote cultuurhistorische waarde kunnen hebben. Zo concludeerde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) bij de zaak van een oude, maar danig verbouwde boerderij in Zevenhuizen-Moerkapelle dat objecten niet in originele staat hoeven te verkeren om als monument te worden aangewezen (ABRvS 19 september 2007, nr. 200700775/1, zie ook voor een vergelijkbaar geval ABRvS 21 juni 2006, nr. 200508844/1). Overigens zijn er in Nederland slechts zeer weinig monumentale objecten, die puntgaaf de tands des tijds hebben doorstaan. Vooral woonhuizen zijn echte gebruiksvoorwerpen, waaraan elk generatie wat afbreekt en toevoegt.

Een monument is (dus) eigenlijk een object dat op een aantal van bovenstaande criteria hoog scoort en als zodanig door een aanwijzende instantie herkend wordt. Daarbij moet beseft worden dat beoordeling van deze criteria gebonden is aan allerlei tijdsverschijnselen (“Zeitgeist”). Het was tot diep in de jaren ’80 bijvoorbeeld ondenkbaar dat naoorlogse nieuwbouwwijken een monumentenstatus zouden kunnen krijgen. Bovendien speelt mee dat criteria ook kunnen wisselen, omdat zeker bij gemeentelijke monumenten elke gemeente zijn eigen beoordelingskader kan hebben.

Staat de monumentwaardigheid van de grote monumenten (oude kerken, kastelen) doorgaans buiten kijf. Bij de kleinere monumenten kan men constateren dat wat bij de ene gemeente onbeschermd is bij andere gemeenten als het hoogste goed geldt. Hiervoor zijn veel factoren verantwoordelijk, maar een moet er met name worden uitgelicht: lokale omstandigheden. Zo telt Amsterdam tienduizenden negentiende-eeuwse panden, terwijl bijvoorbeeld het Zeeuwse Arnemuiden er maar enkele kent. Het is goed denkbaar dat het aan erfgoed arme Arnemuiden daarom dat ene negentiende-eeuwse pand vanwege zijn zeldzaamheidswaarde wel tot monument aanwijst, terwijl Amsterdam wellicht geen enkel belang hecht aan het voortbestaan van duizenden panden met dezelfde bouwmassa en geschiedenis. Vandaar ook het grote belang van de “couleur locale”, de plaatselijke setting.

Om aan deze lokale verschillen tegemoet te komen, heeft de wetgever de mogelijkheid geschapen om naast rijksmonumenten ook gemeentelijke en provinciale monumenten aan te wijzen, waarbij provincie en gemeente de nodige vrijheid hebben om hun eigen afweging te maken bij wat zij monumentwaardig achten3 . Overigens is de aanwijzing van gemeentelijke en provinciale monumenten niet verplicht en is een stapeling van monumentenaanwijzingen in principe niet mogelijk. Een object kan niet rijksmonument én tegelijkertijd gemeentelijk monument zijn4 .

3. Procedure aanwijzing
De procedure tot aanwijzing van een monument bestaat uit verschillende stappen: initiatief, advies en beoordeling. Voor de gemeentelijke monumenten en rijksmonumenten is de procedure vrijwel gelijk. Vrijwel altijd ligt aan een aanwijzingsprocedure een initiatief van een overheidsinstantie ten grondslag. Vaak is het voor de particuliere bezitter van een object dan ook een verrassing dat de aanvraag in procedure is. Maar ook eigenaren en belangengroeperingen kunnen het initiatief nemen door de desbetreffende overheidslaag te verzoeken een object als monument te laten aanwijzen Het laatste decennium is te bespeuren dat gespecialiseerde erfgoedclubs hier een zeer actieve rol spelen, vooral bij grotere monumentale objecten uit de negentiende en twintigste eeuw. Vermeldenswaardig is dat per 1 januari 2012 voor Rijksmonumenten deze mogelijkheid voor particulieren is afgesneden. Zij kunnen nog slechts suggesties doen. Voor gemeentelijke monumenten staat deze weg echter nog steeds open.
De initiatiefnemer laat een onafhankelijk rapport opstellen dat de zogenoemde redengevende omschrijving bevat. Op basis van deze waardenstellende beschrijving van het object, waarbij de cultuurhistorisch belangwekkende elementen van het object worden benoemd, neemt de aanwijzende overheidsinstantie een beslissing over een eventuele monumentenstatus. Daarbij is de overheid verplicht zich te laten adviseren door een commissie van deskundigen. Bij gemeentelijke monumenten is het college van burgemeester en wethouders de aanwijzende instantie en wordt advies gevraagd aan de gemeentelijke monumentencommissie. Bij rijksmonumenten beslist de Minister, die zich laat adviseren door de Raad van Cultuur, burgemeester en wethouders van de gemeente waar het object zich bevindt en in sommige gevallen gedeputeerde staten. Hierbij zij opgemerkt dat het college van burgemeester en wethouders zich ook hier laat adviseren door de gemeentelijke monumentencommissie.
Voor zowel rijksmonumenten als gemeentelijke monumenten zijn drie zaken in de aanwijzingsprocedure van groot belang: een onafhankelijke en deskundige gemeentelijke monumentencommissie, een deskundige en goed onderbouwde redengevende omschrijving en de bevoegdheid van de aanwijzende overheidsinstantie om van de adviezen af te wijken.
  
4. Een onafhankelijke en deskundige gemeentelijke monumentencommissie.
Voor de monumentenzorg is in de praktijk de gemeentelijke monumentencommissie hoogstwaarschijnlijk de belangrijkste adviserende commissie. Bij zowel de aanwijzing van gemeentelijke monumenten als rijksmonumenten speelt zij een belangrijke rol. Bij aanwijzing is de lokale setting (voorgeschiedenis, bewoners, situering) van een object, zoals eerder uitgelegd, van groot belang. De gemeentelijke monumentencommissie is de enige adviescommissie die een goed overzicht heeft van het plaatselijke monumentenbestand en bovendien kent zij de lokale cultuurhistorie goed. Voor de Raad van Cultuur en gedeputeerde staten is het minder eenvoudig over juist die lokale kennis te beschikken en deze op passende wijze te waarderen.

Artikel 15 van de Monumentenwet 1988 garandeert de onafhankelijkheid van de Monumentencommissie: “Van de commissie maken geen deel uit leden van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente. Binnen de commissie zijn enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg”. De in het verleden gangbare praktijk dat het college ook tussen neus en lippen door monumentencommissie was, behoort hiermee tot het verleden. Slechts incidenteel komt voor dat appellanten de monumentencommissie betichten van partijdigheid (ABRvS 17 november 2004, nr. 200400117/1). Datzelfde geldt voor het verwijt van vooringenomenheid (ABRvS 25 november 2009, nr. 200901560/1/H2). Dat is in zekere zin opvallend omdat de gemeentelijke monumentencommissie zich vaak de hoeder van het monumentenbelang acht en ter wille van dat belang actief kan optreden naar pers en politiek. Daarmee kan wel degelijk de schijn van partijdigheid worden gewekt.
 
5 Redengevende omschrijving
Essentieel bij de aanwijzing van een monument is de redengevende omschrijving. Dit is een omschrijving van de monumentwaardigheid of anders gezegd een rapport, waarin aangegeven wordt op welke gronden/criteria het object als potentieel monument hoog scoort. Tevens is een opsomming aanwezig van de meest waardevolle bouwkundige delen van het object. Tijdens de gehele “levensduur” van het monument blijft deze omschrijving een rol spelen: restauraties en onderhoud (moeten) worden bekeken in het licht van deze omschrijving (ABRvS 28 juni 2006, nr. 200505796/1). Dit betekent overigens niet dat alleen de in redengevende omschrijving opgenomen onderdelen bescherming genieten. Dat blijkt uit een zaak in Zandvoort, waar de eigenaar van een landgoed (zonder toestemming) een bijna 3 meter hoge tuinmuur had laten oprichten. Volgens de Rijksdienst voor de Monumentenzorg werd hiermee een waardevolle zichtas doorbroken. De eigenaar stelde dat de zichtas niet in de redengevende omschrijving was opgenomen en daardoor geen bescherming verdiende. De Afdeling concludeerde echter dat het monument niet alleen bescherming geniet voor zover dat staat beschreven in die omschrijving en dat bedoelde tuinmuur daarom wel degelijk cultuurhistorische waarden schaadde (ABRvS 12 december 2007, nr. 200702919/1).
Het spreekt voor zich dat juist de redengevende omschrijving vaak wordt aangevochten. De koninklijke weg om aan een monumentenstatus te ontkomen, is aan te tonen dat het object geen monumentale waarden bezit.  De Afdeling hecht hierbij grote waarde aan de expertise van deskundigen. Voor appellant betekent dit dat hij op de proppen zal moeten komen met een goed onderbouwde contra-expertise. Wonderlijk genoeg komt het vaak genoeg voor dat appellant en juridische bijstand echter denken hiervan af te kunnen zien.
Fouten in een redengevende omschrijving hoeven echter niet fataal te zijn bij het aanwijzingproces. In zekere zin is een dergelijke omschrijving dan ook een iteratief proces. Dit komt onder meer omdat de eigenaar, een voorname bron van informatie over de geschiedenis van het object, vaak niet van meet af aan bij het opstellen van een dergelijke beschrijving is betrokken. De redengevende omschrijving wordt dan ook weleens tijdens het aanwijzingsproces aangepast en over het algemeen gaat de Afdeling hierin mee, mits natuurlijk betrokkenen de kans hebben gekregen hun bezwaren en opmerkingen ten aanzien van mogelijke aanpassingen naar voren te brengen. Dit blijkt uit een zaak in de gemeente Sittard-Geleen (ABRvS 6 juni 2012, nr. 201102419/1/A2). De gemeente had ter aanwijzing van een deftig woonhuis uit rond 1800 een summiere redengevende omschrijving geproduceerd. Bovendien bleek bij nader inzien een aantal door de omschrijving als belangrijk geachte onderdelen van het pand juist niet waardevol te zijn. De Afdeling achtte het beroep dat deze omschrijving onvoldoende was gemotiveerd en onderbouwd, gegrond. Echter, er had nieuw onderzoek plaats gevonden, dat andere waardevolle elementen had gevonden en deze informatie was verwerkt in een bijgestelde redengevende omschrijving. Op grond hiervan concludeerde de Afdeling, dat het pand wel degelijk in aanmerking kwam voor een (gemeentelijke) monumentenstatus.
Uit deze zaak blijkt verder dat appellanten (maar ook juristen) de redengevende omschrijving soms verwarren met de monumentwaardigheid. Essentieel voor een monumentenstatus is de feitelijke, objectieve waarde van het object en niet zozeer de weerslag daarvan in een rapport. Dit blijkt uit de aanwijzing van de buitenplaats Oud-Wassenaar tot rijksmonument (ABRvS 11 februari 2009, nrs. 200804180/1, 200804333/1 en 200804335/1). De bijbehorende parkaanleg was volgens de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed monumentwaardig, omdat deze een goed voorbeeld zou zijn van het oeuvre van de befaamde negentiende-eeuwse landschapsarchitect Petzold. Appellanten echter trokken de bemoeienis van deze tuinarchitect met het park in twijfel, waardoor de behandeling van de zaak goeddeels een discussie werd over de eventuele betrokkenheid van Petzold. De Afdeling constateerde echter dat zelfs zonder enige bemoeienis van Petzold de parkaanleg voldoende monumentale waarden had om als rijksmonument aangewezen te worden.
 
6.  Afwijken van advies
Weliswaar wordt door de wetgever aan de adviezen van de betrokken deskundigencommissies bij de aanwijzing tot monument een hoge waarde toegekend, het staat de aanwijzende instantie vrij om daar gemotiveerd van af te wijken. Er kunnen ook andere belangen (ruimtelijke, technische, financiële) van groter gewicht in het spel zijn. Het is niet doenbaar om van deze belangen een overzicht te geven omdat bij elke aanwijzing andere belangen kunnen spelen. Wel is vermeldenswaardig dat in de praktijk zelden van positieve adviezen wordt afgeweken. Adviezen die een negatief oordeel vellen over de monumentwaardigheid van een pand worden zelfs bijna zonder uitzondering overgenomen.
Het kan echter bij de aanwijzing van rijksmonumenten voorkomen dat de adviezen van burgemeester en wethouders, Raad van Cultuur en gedeputeerde staten niet op een lijn zitten. De vraag dringt zich dan op aan welk advies de Minister het meeste waarde moet hechten. Een dergelijk geval deed zich voor bij een kerk in Puiflijk, gemeente Druten (ABRvS 13 april 2005, nr. 200407753/1), waar de Raad van Cultuur en gedeputeerde staten een negatief advies hadden afgeleverd, en de gemeente juist positief tegen een mogelijke aanwijzing stond. Het kerkbestuur beargumenteerde dat aan een advies van de gemeente doorslaggevende betekenis zou moeten worden gegeven krachtens de Monumentenwet 1988. De Afdeling gaf echter aan dat de Minister zich een eigen oordeel diende te vormen en eigen afweging diende te maken en daarbij alle adviezen in beschouwing moest nemen. Met andere woorden: er kan niet gesproken worden van een zekere rangorde binnen deze adviezen. Wellicht ten overvloede: bij gemeentelijke monumenten wordt slechts advies wordt gevraagd aan de gemeentelijke monumentencommissie en doen zich dus bovenstaande situaties in principe niet voor.
 
7. Algemene bezwaren tegen aanwijzing
De aanwijzing van een object tot beschermd monument valt niet altijd bij eigenaren in goede aarde. Er is bijvoorbeeld de vrees voor extra kosten, lange procedures en het inperken van de gebruiksmogelijkheden. Vaak wordt door appellanten verwezen naar waardevermindering, dan wel mogelijke onverkoopbaarheid, indien een object een monumentenstatus zou verkrijgen (o.a. ABRvS , 18 maart 2009, nr. 200801344/1, ABRvS 4 juli 2007, nr. 200700563/1). Een reden, die vrijwel nooit door de Afdeling wordt gehonoreerd en wel omdat de waardevermindering door aanwijzing objectief moeilijk vast te stellen valt. Bovendien hebben de betrokken personen vaak geen concrete verkoopplannen en laten zij hun claim zelden ondersteunen door een (deskundig) taxatierapport (ABRvS 18 maart 2009, nr. 200801344/1).
Soms wordt het gelijkheidsbeginsel als tegenargument gebruikt. Hierbij wijst de appellant naar objecten van een zelfde uitstraling en bouwdatum als het zijne, die niet zijn aangewezen als monument (o.a. ABRvS 16 maart 2005, nr. 200405808/1,  ABRvS 19 juli 2006, nr. 200507231/1). Ook hier is sprake van een argument met een voor appellant lage succeskans omdat zeker voor vooroorlogse objecten geldt dat geen enkel pand gelijk is. Bovendien kunnen juist kleine verschillen uitmaken of een pand monumentwaardig is of niet.
Veel appellanten vrezen dat hun gebruiksmogelijkheden betreffende het object worden ingeperkt. Bij bedrijfsmatig gebruikte objecten (winkels, fabrieken, molens) valt dan ook de term economische schade omdat het object niet meer aan een optimale bedrijfsvoering zou kunnen worden aangepast. In het geval van het ontbreken van concrete plannen ter wijziging van het object ter wille van de bedrijfsvoering maakt de Afdeling korte metten met dit argument: een monumentenstatus hoeft latere wijzigingen niet te belemmeren (ABRvS 7 maart 2012, nr. 201106105/1/A2 inzake een chocoladefabriek). Anders kan het liggen indien ten tijde van de aanwijzing wel serieuze plannen voorhanden zijn. Verwezen wordt hier naar een kwestie in de gemeente Schiedam, waar een aantal vroeg negentiende-eeuwse pakhuizen op de nominatie stond om aangewezen te worden als rijksmonument (ABRvS 12 maart 2008, nr. 200704529/1). De ontwikkelaar had echter sloopplannen ten gunste van woningen. Tussen Rijksdienst van de Monumentenzorg en ontwikkelaar ontbrandde een strijd of de pakhuizen niet hergebruikt konden worden als appartementen, daarmee de historische bouwmassa in stand latend. Uit een rapport van de TU Delft bleek echter dat door verzakkingen een dergelijke oplossing zou leiden tot de bouw van financieel onverkoopbare woningen. De monumentenstatus werd dan ook afgewezen.
Hiermee zijn wij aangekomen bij de bouwkundige staat van het aan te wijzen object. Bij vervallen panden is soms verregaande renovatie of sloop de enige bouwkundige en/ of financieel verantwoorde oplossing. Het aspect van de bouwkundige staat wordt wel eens vergeten in de aanwijzingsprocedure. Dit overkwam de gemeente Noordwijkerhout (ABRvS 28 september 2011 nr. 201012344/1/h2). Er was hier sprake van een oude schuur, vermoedelijk het enige restant van een oud klooster. De cultuurhistorische waarde was hoog, de constructieve toestand matig. Appellant gebruikte de schuur als paardenstal en was niet van zins de bestemming te wijzigen. De door appellant geraamde kosten van noodzakelijke renovatie van 670.000 euro om het bestaan van het object op langere termijn te waarborgen waren voor appellant reden om gekant te zijn tegen aanwijzing. De gemeente was echter niet op nauwelijks op deze relevante feiten ingegaan. Reden genoeg voor de Afdeling om de gemeente te adviseren haar werk over te doen.
 
8. "Ontwijzing"
Veel minder bekend dan de aanwijzing van monumenten is de "ontwijzing", dat wil zeggen het verliezen van de monumentenstatus. Elk jaar worden monumenten van de gemeentelijke of landelijke lijst afgevoerd. Meestal op grond van calamiteiten (brand, instorting), die hebben geleid tot een dramatisch verlies aan monumentale waarden.
Ook zonder deze bijzondere gebeurtenissen kunnen monumenteneigenaren van een monumentenstatus van hun pand afkomen. Dit kan onder andere als het object niet meer de waarden heeft op grond waarvan het als monument is aangewezen. Een dergelijk geval speelde in Staphorst, ten aanzien van een boerderij (rijksmonument), aangewezen als zijnde een gave boerderij van het Staphorster type. Appellant had met toestemming van de gemeente al eerder het bedrijfsgedeelte gesloopt. Het cultuurhistorische interessante voorhuis was verwaarloosd en in matige staat. Met succes betoogde appellant dat juist de voornaamste grond van aanwijzing, de gaafheid, niet meer aanwezig was en daardoor het pand zou moeten worden afgevoerd van de monumentenlijst (ABRvS 17 februari 2010, nr. 200903895/1/H2). In wezen is hier sprake van een verreikende uitspraak, omdat het eigenaren kan stimuleren door verwaarlozing en gedeeltelijke sloop op den duur af te komen van een monumentenstatus van een object.
Hierbij moet worden opgemerkt dat ook zonder groot verlies aan monumentale waarden door verwaarlozing een pand “ontwezen” kan worden. De meest drastische vorm is daarvan sloop. Nu komt het slopen van gedeelten van monumenten vaker voor. Het volledig slopen is echter een grote zeldzaamheid. De algemene mening heeft dan ook postgevat dat sloop aan zeer zware en bijzondere voorwaarden is verbonden. Jurisprudentie wijst echter anders uit. De gemeente Dongen bijvoorbeeld had een sloopvergunning ingediend voor de forse neogotische Sint Josephkerk uit 1907, een gemeentelijk monument. De kerk moest wijken voor onder andere een nieuw cultureel centrum en verkeerskundige aanpassingen. De gemeente ontkende de monumentale waarde van de kerk niet, maar stelde dat de sloop van de kerk grote voordelen had voor haar centrumontwikkeling. Tevens was behoud van de kerk een te dure optie onder meer door de slechte onderhoudstoestand. Daarmee passeerde de gemeente uitdrukkelijk het advies van haar eigen gemeentelijke monumentencommissie, die tegen sloop gekant was. De Afdeling kwam tot het oordeel dat de gemeente onderbouwd het algemeen belang had afgewogen tegen het belang van het behoud van de kerk. Bovendien stelde de Afdeling, dat uit de wetsgeschiedenis noch uit de jurisprudentie kan worden afgeleid dat slechts een vergunning tot sloop van een monument kan worden verleend indien er een uitzonderlijke noodzaak tot sloop bestaat en sprake is van bijzondere omstandigheden (ABRvS 21 januari 2009, nr. 200802511/1).
 
9. Tot slot
De aanwijzing van monumenten is voor erfgoedbegrippen een succesvol instrument. Wellicht te succesvol: bij de rijksmonumenten is al te jaren te merken dat de vraag naar gelden voor restauratie en onderhoud het daadwerkelijke aanbod overstijgt. Het Rijk voert dan ook ten aanzien van nieuwe aanwijzingen een terughoudend beleid. Het beeld bij gemeenten is diffuser. Enerzijds is bij sommige grotere monumentengemeenten een kritische (financiële) grens bereikt ten aanzien van het aantal monumenten, anderzijds zijn met name kleinere gemeenten nog niet eens toe gekomen aan een eigen monumentenbeleid.
In de afgelopen decennia van economische voorspoed zijn tienduizenden monumenten aangewezen. Een aanzienlijk deel daarvan bestaat uit grotere bouwwerken en complexen, zoals watertorens, fabrieken, kloosters, bruggen, sluizen en kerken, die cultuurhistorisch uiterst waardevol kunnen zijn. Financieel gezien zijn deze objecten door de geringe mogelijkheden van herbestemming en hergebruik vaak een permanente verliespost, die zwaar op erfgoedbudgetten drukt.
Bovenstaande zal gevolgen hebben voor het aantal nieuwe aanwijzingen, maar ook voor bijvoorbeeld de rol van monumentencommissies. De huidige (traditionele) rol is gericht op het behoud van cultuurhistorische waarden en in zekere mate expansief, d.w.z. het aanwijzen van zoveel mogelijke monumenten. Met de huidige financiële krapte zou echter wel eens de “ontwijzing” furore kunnen maken. Daarnaast zal meer dan voorheen bij aan- en ontwijzing de financiële (on)mogelijkheden van het object bij de advisering door monumentencommissies een rol kunnen gaan spelen.
Johan Teters5
----------------------------------------
 
  1. Zie het betreffende jaaroverzicht op www.erfgoednederland.nl. Overigens circuleren er ook andere cijfers. De verschillen zijn vooral terug te voeren op de vraag of grote complexen (landhuizen, ziekenhuizen ed.) met meerdere objecten als één enkel monument of als verschillende monumenten moeten worden geteld.
  2. Voor de duidelijkheid  zij opgemerkt dat de wet spreekt van beschermde monumenten als het gaat om onroerende monumenten die krachtens de monumentenwet worden beschermd en zijn ingeschreven in een monumentenregister (zie artikel 1, onder d, van de Monumentenwet).
  3. De provinciale monumenten blijven in dit artikel buiten beschouwing.
  4. Het komt wel voor dat bij elkaar behorende onderdelen verschillend zijn beschermd. Zo kan een kerk een rijksmonument zijn, de naastgelegen pastorie een gemeentelijk monument. Bij grotere complexen kan dit weleens tot misverstanden leiden.
  5. Auteur is onder andere werkzaam in de erfgoedsector en werkt daarnaast via Bureau Brug bij werkgevers in de ruimtelijke ordeningssector. Het artikel is op persoonlijke titel geschreven.