Home Sitemap Contact Lees Voor

StAB

 

04-10
Artikel
ABRS 26 november 2003 nr. 200301163/1 (Middelharnis)
Casus: Afwijzing van verzoek om handhavingsmaatregelen te treffen tegen een inrichting. Appellanten stellen geluidshinder te ondervinden van de verkeersbewegingen ter plaatse van de in- en uitrit van het terrein van de inrichting. Zij menen dat de in- en uitrit onderdeel uitmaakt van de inrichting zodat de geluidsbelasting ter plaatse is aan te merken als directe hinder die aan de voor de inrichting geldende geluidsgrenswaarden moet worden getoetst. Verweerder stelt dat de verkeersbewegingen van en naar de inrichting op de in- en uitrit als indirecte hinder moeten worden beschouwd, omdat de in/uitrit niet alleen door de onderhavige inrichting wordt gebruikt, maar ook ontsluiting biedt aan de achter de inrichting gelegen landbouwgronden en het naastgelegen woonhuis.
Rechtsvraag: Maakt de in/uitrit onderdeel uit van de inrichting?
Uitspraak: De Afdeling stelt vast dat in- en uitrit niet valt binnen de begrenzing van de inrichting zoals die blijkt uit de door verweerder ter zitting getoonde kaart waarop het terrein van de inrichting staat ingetekend. De stukken en het verhandelde ter zitting geven de Afdeling geen grond om van een andere begrenzing uit te gaan. Gelet hierop heeft verweerder op goede gronden de verkeersbewegingen van en naar de inrichting op de in- en uitrit niet betrokken bij de beoordeling van de vraag of aan de geldende geluidsgrenswaarden kan worden voldaan.

Wet milieubeheer artikel 001.1, eerste lid
Bij besluit van 25 maart 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Middelharnis (verweerder) een verzoek van appellanten om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot een inrichting afgewezen. Bij besluit van 9 januari 2003 heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.


Overwegingen
Het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) is op de onderhavige inrichting van toepassing. Op de onderhavige inrichting zijn derhalve de grenswaarden gesteld in voorschrift 1.1.1 onder a van onderdeel B van de bijlage behorende bij het Besluit van toepassing.
Appellanten hebben bij brief van 4 december 2001 een verzoek tot het toepassen van bestuurlijke handhavingsmiddelen ingediend omdat zij stellen, onder meer vanwege laad- en losactiviteiten, geluidhinder te ondervinden van de onderhavige inrichting. Zij betogen dat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat wordt voldaan aan de in voorschrift 1.1.1 onder a gestelde grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en voor het piekniveau (LMax). Zij voeren in dit verband aan dat in het akoestisch rapport dat is opgesteld door Adviesbureau Peutz & Associés B.V. ten onrechte wordt gesteld dat de geluidhinder op de in- en uitrit van het terrein van de inrichting dient te worden beschouwd als indirecte hinder. Volgens appellanten maakt de in- en uitrit onderdeel uit van de inrichting en derhalve is volgens hen sprake van directe hinder, die bij de bepaling of aan de geldende geluidgrenswaarden kan worden voldaan, moet worden meegenomen. Zo betogen zij dat de bedrijvigheid vanwege de onderhavige inrichting op de in- en uitrit van een bedrijfsmatige omvang is. Verder behoort de in- en uitrit niet tot de openbare weg en is de onderhavige inrichting verantwoordelijk voor het overgrote deel van het gebruik daarvan. Appellanten stellen dat zelfs indien de in- en uitrit niet als onderdeel van de onderhavige inrichting dient te worden beschouwd, dan ook de circulaire van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 februari 1996, kenmerk MBG 96006131, inzake "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" (hierna: de Circulaire) door verweerder ten onrechte is toegepast. Bovendien is de Circulaire niet van toepassing op inrichtingen waarop artikel 8.40 van de Wet milieubeheer van toepassing is. Ten slotte voeren appellanten aan dat verweerder ten onrechte stelt dat de verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 1997 niet opgaat.
Verweerder stelt dat de verkeersbewegingen van en naar de inrichting op de in- en uitrit als indirecte hinder moeten worden beschouwd, omdat de in- en uitrit niet alleen door de onderhavige inrichting wordt gebruikt, maar ook ontsluiting biedt aan de achter de inrichting gelegen landbouwgronden en het naast de inrichting gelegen woonhuis. Bovendien zou de inrichting in haar bedrijfsbelangen worden geschaad als de verkeersbewegingen op de in- en uitrit als directe hinder worden beschouwd, omdat het niet mogelijk is het terrein op een andere wijze te ontsluiten. Verweerder betoogt verder dat de bewegingen van heftrucks op grond van voorschrift 1.1.1 onder b van de in voorschrift 1.1.1 onder a opgenomen piekniveaus zijn uitgezonderd, omdat het laad- en losactiviteiten in de dagperiode betreffen. Daarvoor is niet van belang of de in- en uitrit wel of niet tot de inrichting behoort. Blijkens de toelichting op het Besluit geldt dit ook voor in de toelichting genoemde, aan laad- en losactiviteiten aanverwante activiteiten. De door appellanten aangehaalde uitspraak van de Afdeling is volgens verweerder niet op de onderhavige zaak van toepassing. Verweerder stelt wat betreft de toepasselijkheid van de Circulaire als toetsingskader in het onderhavige geval aansluiting te hebben gezocht bij het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer.

Onder inrichting dient ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer te worden verstaan: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.
De Afdeling stelt vast dat de in- en uitrit niet valt binnen de begrenzing van de inrichting zoals die blijkt uit de door verweerder ter zitting getoonde kaart waarop het terrein van de inrichting staat ingetekend. De stukken en het verhandelde ter zitting geven de Afdeling geen grond van een andere begrenzing uit te gaan. Gelet hierop en gelet op voorschrift 1.1.1 onder a van het Besluit dat ziet op het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het piekniveau (LMax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, heeft verweerder op goede gronden de verkeersbewegingen van en naar de inrichting op de in- en uitrit niet betrokken bij de beoordeling of aan de geldende geluidgrenswaarden kan worden voldaan. De Afdeling stelt verder vast dat laad- en losactiviteiten en daaraan aanverwante activiteiten die binnen de grenzen van de inrichting plaatsvinden, gedurende de dagperiode van de in voorschrift 1.1.1 onder a van het Besluit opgenomen piekniveaus (LMax) zijn uitgesloten. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet van de juistheid van het door Adviesbureau Peutz & Associés B.V. opgestelde akoestisch rapport heeft kunnen uitgaan, dat concludeert dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) ter hoogte van de naastbij gelegen woningen ten gevolge van de activiteiten op het bedrijfsterrein (dat is het terrein van de inrichting) en de maximale geluidniveaus (LMax) van andere activiteiten dan laden en lossen minder bedragen dan de daarvoor in het Besluit gestelde maxima. Verweerder heeft derhalve op goede gronden geconcludeerd dat de grenswaarden gesteld in voorschrift 1.1.1 onder a van het Besluit niet worden overschreden. Het betoog van appellanten dat de Circulaire niet van toepassing is op de verkeersbewegingen op de in- en uitrit doet, wat daar overigens ook van zij, aan het bovenstaande niet af. De uitspraak van de Afdeling van 21 juli 1997 (no. E03.96.1225), waarnaar door appellanten wordt verwezen, is op de onderhavige zaak niet van toepassing. Die uitspraak heeft betrekking op de vraag welke gevolgen voor het milieu van het aan- en afrijdende verkeer aan het in werking zijn van de inrichting worden toegerekend. In dit geval gaat het uitsluitend om geluid veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten. Verweerder heeft derhalve terecht geconcludeerd niet bevoegd te zijn om bestuurlijke handhavingsmiddelen toe te passen en het tegen het besluit van 25 maart 2002 ingediende bezwaar daarom ongegrond verklaard. Het beroep is ongegrond.
Noot:
In deze uitspraak komt de bekende problematiek van geluidhinder van wegverkeer van en naar de inrichting aan de orde. In dit geval niet in het kader van vergunningverlening, maar in het kader van een 8.40 amvb, namelijk het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer (verder: het Besluit). Omdat vergelijkbare problemen in het kader van alle 8.40 amvb's kunnen spelen, wordt aan deze uitspraak aandacht besteed.
Omwonenden stellen last te hebben van laad- en losactiviteiten van de inrichting. Zij menen onder andere dat de in- en uitrit onderdeel uitmaakt van de inrichting waardoor sprake is van directe hinder, die bij de bepaling of aan de geldende geluidgrenswaarden kan worden voldaan moet worden meegenomen. Nog even voor de duidelijkheid: directe hinder treedt op binnen de inrichting. Deze directe hinder kan ook bestaan uit verkeersbewegingen op het terrein van de inrichting. Bij indirecte hinder van een inrichting gaat het om hinder die optreedt buiten de inrichting maar desalniettemin nog wel aan het in werking zijn van de inrichting moet worden toegerekend. In het kader van indirecte hinder van het wegverkeer geldt bij de beoordeling van vergunningen de bekende circulaire van 29 februari 1996 'Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting' met de beperkingen zoals die door de rechter zijn aangebracht (zie ABRvS 24 juni 1997, AB 1997, 298 m.nt. ChB en ABRvS 13 oktober 1997, AB 1998, 29 m.nt. M.P. Jongma).
We hebben hier echter te maken met een 8.40-amvb. Hoe zit het nu in dat verband? De geluidvoorschriften uit het Besluit hebben slechts betrekking op directe geluidhinder en niet op indirecte geluidhinder. Wel kunnen er wat de indirecte geluidhinder van het wegverkeer betreft zo nodig nadere eisen worden gesteld op grond van artikel 5b van het Besluit indien dat bijzonder is aangewezen in het belang van de bescherming van het milieu. Het is blijkens de toelichting de bedoeling dat hieraan alleen in 'knelpuntsituaties' invulling wordt gegeven. De genoemde circulaire uit 1996 kan dan blijkens de toelichting als hulpmiddel dienen (NvT Stb. 2000, 334, p. 46). Ook in andere 8.40-amvb's is een vergelijkbare bepaling opgenomen.
Alleen als de onderhavige in- en uitrit tot de inrichting behoort, is sprake van directe hinder en zijn de geluidgrenswaarden van voorschrift 1.1.1 van de bijlage van het Besluit derhalve van toepassing. Indien de in- en uitrit daarentegen niet tot de inrichting behoort, gelden er op grond van het Besluit geen geluidvoorschriften, maar kunnen er wel nadere eisen worden gesteld. Kortom: of de in- en uitrit onderdeel uitmaakt van de inrichting, maakt nogal wat verschil voor de beoordeling van de verkeersbewegingen op deze in- en uitrit.
De rechter oordeelt dat de in- en uitrit geen onderdeel uitmaakt van de inrichting. Uit de uitspraak valt echter niet duidelijk op te maken waarom de rechter tot deze conclusie komt. Het feit dat de in- en uitrit niet binnen de begrenzing valt zoals die op de kaart is ingetekend, is in dit verband niet meteen overtuigend. De Afdeling bestuursrechtspraak geeft niet aan waarom van deze begrenzing moet worden uitgegaan. Is er sprake van een openbare weg omdat de inrit door verschillende bedrijven wordt gebruikt? De conclusie van de Afdeling bestuursrechtspraak betekent echter in dit geval wel dat de geluidvoorschriften uit het Besluit niet op verkeersbewegingen op de in- en uitrit van toepassing zijn. Voor zover wordt geladen en gelost binnen de inrichting, is in voorschrift 1.1.1a aangegeven dat in dat geval de grenswaarden voor de piekniveaus niet van toepassing zijn op het laden en lossen gedurende de dagperiode. Ook op dat punt is het Besluit niet overtreden.
Voor appellanten is nu de enige mogelijkheid om eventueel om nadere eisen te vragen wat betreft deze indirecte hinder op de in- en uitrit. Dat is in deze handhavingszaak natuurlijk niet aan de orde. Het was mijns inziens beter geweest als de rechter het systeem van het Besluit wat directe en indirecte geluidhinder betreft wat duidelijker in de uitspraak uiteen had gezet en ook had verwezen naar de mogelijkheid om nadere eisen te stellen. De verwijzing naar de uitspraak van 21 juli 1997 in de overwegingen is bepaald onduidelijk te noemen.

Marlies Jongma





Gerelateerd(e) Wetsartikel(en)
Wet milieubeheer artikel 001.1, eerste lid