04-07
|
|
Artikel
|
ABRS 26 november 2003 nr. 200206163/1 (Warmond)
Casus: Toepassing van bestuursdwang wegens het nalaten om asbest te verwijderen, dat is vrijgekomen bij een brand in een naastgelegen inrichting. De brand is ontstaan in de inrichting van appellante en overgeslagen naar die naastgelegen inrichting. Appellante meent dat de regeling van artikel 17.1 Wm (ongewoon voorval) uitsluitend ziet op onverwachte voorvallen die optreden met betrekking tot de krachtens de Wm vergunde activiteiten, hetgeen hier niet het geval is, en zij stelt dat de reikwijdte van artikel 17.1 beperkt is tot gevolgen van ongewone voorvallen in de inrichting zelf en niet tot eventueel daardoor in een ander bedrijf veroorzaakte ongewone voorvallen. Bovendien kan niet redelijkerwijs van haar worden verlangd dat zij het asbest zou opruimen.
Rechtsvraag: Is sprake van een ongewoon voorval in de zin van artikel 17/1 Wm? Kan redelijkerwijs van appellante worden gevergd dat zij het asbest op het naburige perceel verwijderd?
Uitspraak: De Afdeling overweegt dat een ongewoon voorval niet behoeft te zijn beperkt tot een voorval dat in verband staat met de in de inrichting plaatsvindende, vergunde activiteiten. Het ontstaan van brand in de inrichting zowel als de brand in de naastgelegen inrichting vormt een ongewoon voorval in de zin van artikel 17.1 Wm. Het vrijgekomen asbest is voor het overgrote deel, zo niet geheel, afkomstig van de naastgelegen inrichting. Verweerder was hiervan op de hoogte. Onder deze omstandigheden kan het verwijderen van asbest niet worden beschouwd als een maatregel die redelijkerwijs van appellante kan worden gevergd.
Wet milieubeheer, artikel 017.1 Wet milieubeheer, artikel 017.2 Algemene wet bestuursrecht, artikel 005:21
Bij besluit van 14 februari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Warmond (verweerder) beslist bestuursdwang als geregeld in artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht toe te passen ter zake van het in strijd met de artikelen 17.1 en 17.2 van de Wet milieubeheer nalaten om bij brand vrijgekomen asbest te verwijderen.
Overwegingen Ingevolge artikel 17.1 van de Wet milieubeheer treft degene die de inrichting drijft, indien zich in een inrichting een ongewoon voorval voordoet of heeft voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, onmiddellijk de maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd, om de gevolgen van die gebeurtenis te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken. Ingevolge artikel 17.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voorzover hier van belang, meldt degene die een inrichting drijft, waarin zich een voorval, als bedoeld in artikel 17.1, voordoet of heeft voorgedaan, dat voorval zo spoedig mogelijk aan het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 8.1 voor een inrichting te verlenen, dan wel ingevolge artikel 8.41, tweede lid, onder a, het orgaan is waaraan de melding wordt gericht. Ingevolge het tweede lid van dat artikel, voorzover thans van belang, verstrekt hij dat bestuursorgaan tevens, zodra zij bekend zijn, de gegevens met betrekking tot: a. de oorzaken van het voorval en de omstandigheden waaronder het voorval zich heeft voorgedaan; b. de ten gevolge van het voorval vrijgekomen stoffen, alsmede hun eigenschappen; c. andere gegevens die van belang zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor het milieu van het voorval te kunnen beoordelen; d. de maatregelen die zijn genomen of worden overwogen om de gevolgen van het voorval te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. Appellante voert aan dat de door verweerder toegepaste bestuursdwang, te weten het verwijderen van het asbest, geen betrekking kan hebben op de gestelde overtreding van artikel 17.2 van de Wet milieubeheer, aangezien daarin slechts een mededelingsplicht is opgenomen. Voorts brengt de omstandigheid dat appellante onmiddellijk na de brand met verweerder in contact is getreden om de gevolgen van de brand te bespreken naar haar mening met zich dat aan deze mededelingsplicht is voldaan. Appellante begrijpt uit het bestreden besluit dat verweerder zich inmiddels op het standpunt stelt dat overtreding van dit artikel inderdaad niet aan het besluit tot bestuursdwang ten grondslag gelegd kon worden. Zij betoogt dat verweerder haar bezwaar dan ook in zoverre gegrond had behoren te verklaren in het bestreden besluit. Verweerder, zo begrijpt de Afdeling uit het bestreden besluit en het verweerschrift, handhaaft de stelling dat appellante ook artikel 17.2 van de Wet milieubeheer heeft overtreden. Verweerder heeft evenwel in het primaire besluit noch in het bestreden besluit omschreven waaruit deze overtreding bestaat. Het bestreden besluit is in zoverre dan ook in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat vereist dat een besluit berust op een draagkrachtige motivering. In de inrichting van appellante heeft op 5 februari 2002 brand gewoed, welke brand is overgeslagen naar de naastgelegen inrichting van Jachtbouw J.(hierna: J). Verweerder heeft geconstateerd dat zich in het afgebrande deel van de inrichting van appellante asbesthoudende vensterbanken (15 m3) en drie inpandige brandwerende deuren (27 m3) bevonden en dat het dak van de afgebrande loods van J bestond uit asbesthoudend materiaal (120 m3). Hij baseert zich daarbij op het verslag van de brandweer van Warmond van 10 februari 2002 met bijbehorende tekening. De verspreiding van asbest is vastgesteld op 6 februari 2002, waarna Search Milieu B.V. als deskundige is ingeschakeld. Voorts heeft verweerder op 6 februari 2002 overleg gevoerd met onder meer appellante, waarbij door verweerder is aangezegd dat de kosten van het opruimen van het asbest op de aansprakelijke inrichting(en) zouden worden verhaald. Bovendien is volgens verweerder bij die gelegenheid afgesproken dat de betrokken inrichtingen zelf zorg zouden dragen voor de reiniging van hun eigen terrein door een erkend bedrijf. Op 13 februari 2002 bleek verweerder dat geen aanvang was gemaakt met de reiniging van de percelen genoemd in het handhavingsbesluit. Verweerder heeft in het die dag gevoerde overleg appellante, op de grond dat in haar inrichting de brand was ontstaan, mondeling aangezegd het asbest van de percelen genoemd in het primaire besluit per direct op te ruimen en haar tot de volgende dag 12.00 uur de gelegenheid gegeven een daartoe strekkend plan van aanpak over te leggen. Omdat er naar het oordeel van verweerder direct voorafgaande aan het primaire besluit gezien de weersvoorspelling een reële en acute dreiging bestond voor verdere verspreiding van het asbest en voor herbesmetting van reeds gereinigde oppervlakken en omdat appellante weigerde opdracht tot opruiming van het asbest te verstrekken en evenmin op het gestelde tijdstip een plan van aanpak had overgelegd, heeft verweerder vervolgens bij besluit van 14 februari 2002 bestuursdwang aangezegd. Vanwege de situatie is geen begunstigingstermijn aan het besluit verbonden. Direct na bekendmaking van het besluit is van gemeentewege aan een gespecialiseerd bedrijf de opdracht gegeven de asbestverontreiniging op te ruimen, hetgeen daarna is geschied. Appellante bestrijdt dat zij artikel 17.1 van de Wet milieubeheer (hierna: artikel 17.1) heeft overtreden. Zij voert daartoe aan dat verweerder een onjuiste uitleg geeft aan dit artikel. Naar haar mening ziet artikel 17.1 uitsluitend op onverwachte voorvallen die optreden met betrekking tot de krachtens de Wet milieubeheer vergunde activiteiten, hetgeen hier niet het geval is, en is de reikwijdte van de in artikel 17.1 beperkt tot gevolgen van ongewone voorvallen in de inrichting zelf en niet tot eventueel daardoor in een ander bedrijf veroorzaakte ongewone voorvallen. Appellante stelt zich op het standpunt dat van haar redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat zij het asbest zou opruimen. Zij houdt staande dat de asbestverontreiniging op de percelen ten aanzien waarvan de bestuursdwang is toegepast niet van haar pand afkomstig was, maar uitsluitend van (het dak van) het pand van J. Derhalve ontbreekt in haar opinie causaal verband tussen de brand in haar inrichting en de geconstateerde verspreiding van asbest. Voorts voert zij aan dat haar van het ontstaan van de brand of het overslaan daarvan geen verwijt valt te maken. Er bestaat, zo brengt zij naar voren, geen wettelijke verplichting tot verwijdering van asbesthoudende dakplaten ondanks het algemeen bekende risico van verspreiding van asbest ingeval van brand. Voorts verplicht artikel 17.1 haars inziens slechts tot het nemen van noodmaatregelen en niet tot een algehele ongedaanmaking van de gevolgen van het ongewone voorval. Tot slot werd volgens appellante ten tijde van het besluit van 14 februari 2002 niet meer voldaan aan het "onmiddellijkheidsvereiste" uit dat artikel, aangezien er na de brand op 5 februari 2002 al geruime tijd was verstreken.
Verweerder stelt, kort samengevat, hier tegenover dat appellante uitgaat van een te beperkte strekking van artikel 17.1. Volgens verweerder behoort het overslaan van de brand naar het pand van J en de daardoor veroorzaakte verspreiding van asbest eveneens tot de gevolgen van de brand in de inrichting van appellante, aangezien daartussen een rechtstreeks verband bestaat. Verweerder bestrijdt dat de maatschappelijke betamelijkheidsnorm van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is op de door artikel 17.1 bestreken situatie. Zijns inziens is de (on)rechtmatigheid van het handelen of nalaten, waarvan het ongewone voorval het gevolg is, daarbij niet van belang. Anders dan appellante stelt behoeft een ongewoon voorval in de zin van artikel 17.1 niet beperkt te zijn tot een voorval dat in verband staat met de in de inrichting plaatsvindende vergunde activiteiten. Het ontstaan van brand in de inrichting van [appellante] vormt een ongewoon voorval in de zin van artikel 17.1, zoals dit overigens ook het geval is voor de daardoor ontstane brand in de inrichting van J. Ter zitting is bevestigd dat het asbest op de terreinen ten aanzien waarvan bestuursdwang heeft plaatsgevonden voor het overgrote deel, zo niet geheel, afkomstig was van het dak van de inrichting van J en dat verweerder van dit gegeven op de hoogte was bij het nemen van het primaire besluit. Onder deze omstandigheden kan het verwijderen van dit asbest van de terreinen waarop het bestuursdwangbesluit betrekking heeft, niet worden beschouwd als een maatregel die redelijkerwijs van appellante kan worden gevergd om de gevolgen van het ongewone voorval zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken. Gelet op het voorgaande bestond er geen overtreding van artikel 17.1. Derhalve was verweerder niet bevoegd tot toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.
|
|
|