04-04
|
|
Artikel
|
ABRS 29 oktober 2003 nr. 200204787/1 (gs Noord-Brabant) Casus: Tijdelijke vergunning krachtens de Wet milieubeheer voor een co-vergistings-installatie. Appellanten betogen dat - nu de inrichting betrekking heeft op een activiteit met een capaciteit van 100 ton per dag of meer - de aanvraag ten onrechte in behandeling is genomen, omdat voorafgaand aan het besluit geen beoordeling heeft plaatsgevonden omtrent de vraag of een milieueffectrapport (hierna: mer) opgemaakt moet worden. Verweerder stelt dat de in het Besluit-mer genoemde drempelwaarde van 100 ton niet wordt overschreden. Rechtsvraag: Is sprake van een mer-beoordelingsplicht? Uitspraak: Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een plicht tot milieueffectbeoordeling moet worden uitgegaan van de capaciteit die met de installatie maximaal kan worden gerealiseerd, uitgaande van de technische mogelijkheden en beperkingen van de installatie, zoals die uit de vergunningaanvraag volgen. Volgens het deskundigenbericht van de StAB is de maximaal realiseerbare capaciteit meer dan 100 ton per dag. De Afdeling is er niet van overtuigd dat verschillende beperkingen van technische aard waarop ter zitting is gewezen en die aan het realiseren van een capaciteit van meer dan 100 ton in de weg zouden staan, rechtstreeks voortvloeien uit de vergunningaanvraag. Wet milieubeheer, artikel 007.4 Wet milieubeheer, artikel 007.8b Wet milieubeheer, artikel 007.8d Besluit milieu-effectrapportage 1994, onderdeel D, categorie 18.2
Bij besluit van 16 juli 2002 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (verweerder) krachtens de Wet milieubeheer aan vergunninghoudster vergunning verleend voor een termijn van vijf jaar voor het oprichten en in werking hebben van een co-vergistingsinstallatie. Overwegingen De inrichting waarvoor bij het bestreden besluit vergunning is verleend, betreft een co-vergistingsinstallatie waarin biomassa, bestaande uit dierlijke mest en bermgras, wordt vergist en ontleed in biogas, een rulle fractie, mineralenconcentraten en afvalwater. Met het verkregen biogas wordt in de warmtekrachtkoppelingsinstallatie energie en warmte opgewekt dat voor een deel intern wordt benut en voor het overige wordt geleverd aan het elektriciteitsnet. De inrichting is gelegen in een open agrarisch landschap, nabij de rioolwaterzuiveringsinstallatie Oijen. Appellanten sub 3 betogen dat verweerder de aanvraag ten onrechte in behandeling heeft genomen, aangezien voorafgaand aan het bestreden besluit geen beoordeling heeft plaatsgevonden omtrent de vraag of een milieu-effectrapport (hierna: mer) opgemaakt moet worden. Verweerder stelt zich blijkens de overwegingen van het bestreden besluit op het standpunt dat de aanvraag betrekking heeft op een inrichting met een capaciteit van 36.000 ton meststoffen en bermgras per jaar, zodat volgens hem de in het Besluit mer 1994 genoemde drempelwaarde van 100 ton per dag (=36.500 ton per jaar) niet wordt overschreden. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat de inrichting is ontworpen op een capaciteit van 93 ton per dag en dat de leidingen, pompen en andere installatieonderdelen op die capaciteit zijn afgestemd. De capaciteit van de installatie is technisch beperkt, aldus verweerder, omdat bij een hoger aanbod van biomassa niet meer biogas kan worden geproduceerd. Het is verder volgens hem niet rendabel om de capaciteit van de installatie te verhogen, aangezien met de aangevraagde hoeveelheid biomassa een optimum wordt bereikt in de balans tussen de aanvoer van mest en bermgras, de verblijftijd in de reactoren en de opbrengst aan biogas. De Afdeling overweegt dat bij beantwoording van de vraag of voor hetgeen is aangevraagd een wettelijke plicht bestaat tot het maken van een milieueffectbeoordeling, moet worden uitgegaan van de capaciteit die met de installatie maximaal kan worden gerealiseerd, uitgaande van de technische mogelijkheden en beperkingen van de installatie, zoals die uit de aanvraag volgen. Aan de door verweerder genoemde omstandigheid dat rendementsoverwegingen voor vergunninghoudster aanleiding zullen zijn zich te beperken tot een bepaalde capaciteit, komt daarom geen betekenis toe. Volgens het deskundigenbericht bedraagt de capaciteit die maximaal kan worden gerealiseerd met de installaties die in de vergunningaanvraag zijn beschreven meer dan 100 ton per dag. In het bestreden besluit is niet gemotiveerd op grond van welke in de aanvraag opgenomen technische mogelijkheden en beperkingen moet worden geoordeeld dat de capaciteit van de installatie minder bedraagt dan 100 ton per dag. Ter zitting is weliswaar gewezen op verschillende beperkingen van technische aard die in de weg zouden staan aan het realiseren van een capaciteit van meer dan de hoeveelheid van 93 ton per dag, waarvoor vergunning is gevraagd, doch de Afdeling is er, mede gelet op het deskundigenbericht, niet van overtuigd dat die beperkingen rechtstreeks voortvloeien uit de aanvraag. Concluderend is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit wat het standpunt van verweerder betreft dat geen mer-beoordelingsplicht bestaat, ontoereikend is gemotiveerd. Het besluit is op dit punt in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Nu niet vaststaat of verweerder de aanvraag in behandeling had kunnen nemen, ziet de Afdeling aanleiding het gehele besluit te vernietigen en een beoordeling van de overige beroepsgronden van appellanten achterwege te laten.
|
|
|