04-03
|
|
Artikel
|
Vz ABRS 23 oktober 2003 nr. 200305773/1 (Uden) Casus: Afwijzing verzoek om handhavend op te treden tegen het voornemen een aanvang te maken met bouwwerkzaamheden ten behoeve van het oprichten van een champignonkwekerij. Het standpunt van verweerder is dat het bouwen van de champignonkwekerij geen oprichten van een inrichting is als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet milieubeheer. Mitsdien kunnen de bouwactiviteiten aanvangen zonder dat daarvoor een milieuvergunning is vereist. Rechtsvraag: Is het bouwen aan te merken als het oprichten van een inrichting in de zin van de wet milieubeheer (Wm)? Uitspraak: De voorzitter overweegt dat de bouwwerkzaamheden tot doel hebben een champignonkwekerij op te richten. Tussen de bouwwerkzaamheden en het telen van champignons als activiteit die de inrichting vergunningplichtig maakt, bestaat een nauwe samenhang. Gelet hierop is het bouwen in beginsel vergunningplichtig op grond van artikel 8.1 Wm. Wet milieubeheer, artikel 008.1
Bij besluit van 1 augustus 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Uden (verweerder) afwijzend beslist op een door verzoeker ingediend verzoek om handhavend op te treden tegen het voornemen van [initiatiefnemer] om een aanvang te maken met bouwwerkzaamheden ten behoeve van het oprichten van een champignonkwekerij. Overwegingen De ter zitting naar voren gebrachte stelling van verweerder en [initiatiefnemer] die er op neerkomt dat de brief van verzoeker van 3 juli 2003 niet kan worden aangemerkt als een verzoek om handhaving als bedoeld in artikel 18.14, eerste lid, van de Wet milieubeheer, faalt. De Voorzitter stelt vast dat verzoeker bij brief van 3 juli 2003 verweerder er op heeft gewezen dat [initiatiefnemer] niet gerechtigd is - ondanks dat hij beschikt over een bouwvergunning - reeds te gaan bouwen, omdat hij niet beschikt over een vergunning krachtens de Wet milieubeheer. Verder heeft verzoeker in deze brief verweerder verzocht zodra [initiatiefnemer] met de bouwwerkzaamheden aanvangt, hem een bouwstop op te leggen. Hierbij heeft verzoeker zich op het standpunt gesteld dat het bouwen van de champignonkwekerij moet worden aangemerkt als het oprichten van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dit standpunt heeft hij bij schrijven van 11 juli 2003 nader onderbouwd. De Voorzitter neemt voorts in aanmerking dat verweerder in het schrijven van 1 augustus 2003 in feite een standpunt omtrent dit verzoek om handhaving heeft ingenomen. Op grond van het voorgaande is de Voorzitter van oordeel dat de brief van verweerder van 1 augustus 2003, moet worden aangemerkt als een afwijzing van het verzoek om - preventieve - bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen inzake het zonder vergunning krachtens de Wet milieubeheer bouwen van een inrichting. Blijkens het bestreden besluit staat verweerder op het standpunt dat hij niet bevoegd is bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen. Hij stelt dat het bouwen van de champignonkwekerij geen oprichten van een inrichting is als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer en [initiatiefnemer] derhalve zonder milieuvergunning de bouwactiviteiten ten behoeve van het oprichten van de champignonkwekerij kan aanvangen. Verzoeker kan zich niet verenigen met het door verweerder ingenomen standpunt. Hij betoogt dat sprake is van het oprichten van een inrichting en verweerder derhalve bevoegd is bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen. De Voorzitter overweegt als volgt. Bij besluit van 14 december 1995 heeft verweerder aan de rechtsvoorganger van [initiatiefnemer] een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een champignonkwekerij. Deze bouwvergunning is onherroepelijk. De bij besluit van 29 november 1995 verleende vergunning krachtens de Wet milieubeheer voor het oprichten en in werking hebben van een champignonkwekerij, is inmiddels vervallen. Op 1 september 2003 heeft[initiatiefnemer] bij verweerder een nieuwe aanvraag om vergunning krachtens artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet milieubeheer ingediend voor het oprichten en in werking hebben van een champignonkwekerij. De Voorzitter stelt vast dat de vorengenoemde activiteiten vergunningplichtig zijn ingevolge de Wet milieubeheer. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de bouwwerkzaamheden tot doel hebben een champignonkwekerij met inpandige bedrijfswoning op te richten. Ter zitting is komen vast te staan dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit reeds een aanvang was gemaakt met deze bouwactiviteiten. Tussen de bouwactiviteiten en hetgeen de inrichting ingevolge artikel 8.1, eerste lid, onder a en c, van de Wet milieubeheer vergunningplichtig maakt, het telen van champignons, bestaat naar het oordeel van de Voorzitter een nauwe samenhang. Gelet hierop is het bouwen van de champignonkwekerij met inpandige bedrijfswoning in beginsel vergunningplichtig ingevolge artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer. De Voorzitter is gelet hierop van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een overtreding van artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer. Gezien het vorenstaande en gezien de omstandigheid dat verweerder tot op heden nog geen beslissing op bezwaar heeft genomen, ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening op de in het dictum omschreven wijze toe te wijzen. Volgt schorsing van het bestreden besluit van 1 augustus 2003
|
|
|