Home Sitemap Contact Lees Voor

StAB

 

04-02
Artikel
ABRS 22 oktober 2003 nr. 200302840/1 (Duiven)
Casus: Oprichtingsvergunning krachtens de Wet milieubeheer voor een fokzeugenhouderij. Appellante, eigenaar van een naburig pluimveebedrijf, is beducht voor besmettingsgevaar voor de in haar bedrijf aanwezige grootmoederdieren. Verweerder meent dat het risico voor besmetting zijn oorsprong vindt in een bijzondere gevoeligheid.
Rechtsvraag: In hoeverre dient bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag rekening te worden gehouden met besmettingsgevaar?
Uitspraak: Voorop staat dat besmettingsgevaar in hoofdzaak regeling vindt in de regelgeving betreffende de dierengezondheid. Daarnaast is het weliswaar een aspect dat in beginsel bij de beoordeling van de aanvraag voor een milieuvergunning moet worden betrokken, maar voorzover geen sprake is van een bijzondere gevoeligheid die voortvloeit uit de eigen aard en bedrijfsvoering van het betrokken bedrijf. In dit geval is aannemelijk geworden dat de besmettingsrisico's voortvloeien uit de bijzondere gevoeligheid van het bedrijf van appellante.
Wet milieubeheer, artikel 008.10
Wet milieubeheer, artikel 008.11

Bij besluit van 25 maart 2003, heeft het college van burgemeester en wethouders van Duiven (verweerder) krachtens de Wet milieubeheer een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een fokzeugenhouderij en akkerbouwbedrijf.
Overwegingen
Appellante vreest besmettingsgevaar voor de in haar pluimveebedrijf aanwezige grootmoederdieren door het in werking zijn van de inrichting zoals vergund bij het bestreden besluit. Zij voert in dit kader aan dat de afstand tussen de stallen voor de in haar bedrijf aanwezige grootmoederdieren en andere bedrijven met pluimvee of varkens ten minste 500 meter dient te bedragen. Tevens stelt zij dat via de spoelplaats voor bedrijfs- en vrachtwagens voor haar grootmoederdieren bedreigende ziektekiemen kunnen worden overgebracht, omdat de plaats niet is overdekt en omdat het spoelwater direct in de mestkelders wordt geloosd. Indien de inrichting in werking is overeenkomstig de bij het bestreden besluit verleende vergunning, is het niet meer mogelijk grootmoederdieren te houden in haar bedrijf, aldus appellante.
Verweerder is er bij de beoordeling van de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende aanvraag vanuit gegaan dat het door appellante gevreesde besmettingsrisico voor de in haar inrichting aanwezige grootmoederdieren zijn oorsprong vindt in een bijzondere gevoeligheid.
De Afdeling stelt voorop dat besmettingsgevaar in hoofdzaak regeling vindt in de regelgeving betreffende de dierengezondheid. Daarnaast is het weliswaar een aspect dat in beginsel bij de bescherming van het belang van het milieu moet worden betrokken, doch slechts voorzover geen sprake is van bijzondere gevoeligheid die voortvloeit uit de eigen aard en bedrijfsvoering van het betrokken bedrijf. Met besmettingsrisico?s die worden veroorzaakt door bijzondere gevoeligheid kan bij de beoordeling of sprake is van onaanvaardbare nadelige gevolgen voor het milieu geen rekening worden gehouden.
Uit hetgeen appellante heeft aangevoerd en uit hetgeen overigens ter zitting naar voren is gekomen, is aannemelijk geworden dat de door haar genoemde besmettingsrisico?s voor de in haar inrichting aanwezige grootmoederdieren voortvloeien uit de bijzondere gevoeligheid van haar bedrijf. Dat, zoals appellante stelt, de afnemer van appellante na de realisatie van de inrichting zoals vergund bij het bestreden besluit het contract met appellante zal verbreken omdat de afstand tussen beide inrichtingen minder dan 500 meter zal bedragen, maakt dit niet anders. Bovendien heeft verweerder ter zitting onweersproken gesteld dat diverse afnemers van grootmoederdieren een dergelijke afstandseis niet stellen.
De Afdeling concludeert dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat met de bijzondere gevoeligheid van de in de inrichting van appellante aanwezige grootmoederdieren geen rekening behoeft te worden gehouden.
Voorzover appellante vreest dat de aan de vergunning verbonden voorschriften betreffende de spoelplaats niet worden nageleefd, merkt de Afdeling op dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en om die reden niet kan slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.
Het beroep is ongegrond.